Casus van één van de receptievrijwilligers. Er belt een huilende mevrouw. Snikkend vraagt ze om hulp. Haar katje is die ochtend ingeslapen...
Casus van één van de receptievrijwilligers.
Er belt een huilende mevrouw. Snikkend vraagt ze om hulp. Haar katje is die ochtend ingeslapen en ze heeft niemand om haar heen; geen netwerk, geen familie. De enige persoon die haar normaal ondersteunt, kan pas vrijdag komen. Nu is ze volledig alleen en overweldigd door verdriet.
Ze vraagt of er iemand is die even bij haar langs kan komen om een kop koffie te drinken, haar wat gezelschap te bieden en misschien een klein wandelingetje te maken. Later vertelt ze dat haar kat vrijdag wordt begraven op dierenbegraafplaats Klaverweiden in Hoevelaken. Diezelfde middag moet ze het diertje alvast daarheen brengen, omdat het tot vrijdag in de koeling moet. Ook dat vooruitzicht maakt haar onzeker: ze weet niet goed hoe ze dit alleen moet doen.
Ik vertel haar dat ik mijn best ga doen om iemand te vinden en dat ik begrijp hoe ze zich voelt. Alleen dat al maakt haar zichtbaar dankbaar.
Daarna begint de zoektocht. Ik bel eerst Bas, die sterk is in psychologische begeleiding. Hij zou dit graag willen doen, maar hij heeft een afspraak buiten de plaats en kan niet. In mijn hoofd ga ik allerlei opties langs. Ik probeer het bij dierenasiel De Ark, in de hoop dat er een vrijwilliger is met affiniteit voor huisdieren — iemand die begrijpt hoe verdrietig het verlies van een dier kan zijn. Uit eigen ervaring weet ik hoe groot dat gemis is, en ik betrap mezelf erop dat ik bijna geneigd ben er zelf naartoe te gaan. Maar er is geen vrijwilliger beschikbaar.
Ik overweeg nog om dierenartsen te bellen, maar vermoed dat zij haar die ochtend al gezien hebben en ik wil haar niet onnodig belasten. Dus blader ik opnieuw door ons vrijwilligersbestand. Ik probeer het bij het dierenproject, maar door verschillende organisatorische redenen lukt dat ook niet.
Dan kom ik bij een vrijwilliger die voorleest bij iemand thuis en ook graag wandelt. Ze wil helpen, maar kan die dag niet — wel morgen. Ik besluit dit aan mevrouw voor te leggen.
Wanneer ik haar opnieuw bel, klinkt ze al iets rustiger. Ze vertelt dat haar kat inmiddels in een kistje ligt, maar dat ze het moeilijk vindt om het diertje vast te houden omdat het zo’n confronterend besef is dat het niet meer leeft. Ik begin te vertellen dat ik mijn best heb gedaan iemand te vinden. Dan zegt ze: “Misschien is morgen zelfs beter… dan heb ik iets om mijn bed voor uit te komen.”
Ik ben blij haar te kunnen vertellen dat ik iemand heb gevonden voor morgen en dat ik haar contactgegevens zal doorgeven en dat de vrijwilliger haar dan belt om af te spreken hoe laat ze morgenochtend bij haar zal zijn.
Mevrouw is hier heel blij om en geeft weer aan dat ze straks haar huisdier naar Hoevelaken moet brengen en dat ze daar wel tegen op ziet. Ik wens haar heel veel sterkte en zeg nogmaals dat de vrijwilliger haar zal bellen om verder af te spreken. Ze blijft maar zeggen hoe fijn ze dit vindt. Uiteindelijk wens ik haar nog een goede dag en beëindig het gesprek.